Walther Bekaert

«Op 19 december 2002 overleed in zijn 69ste levensjaar in zijn woonst in de Ridder Janlaan 26 te Dadizele Walther Bekaert, geboren te Dadizele op 15 december 1933. Hij was gehuwd met Alma Samyn en had vier kinderen »

Zo ruw en rauw verschijnt een doodsbericht in de krant of in een weekblad, zo mogelijk met een afdruk van een aftandse pasfoto.

Hoe onwezenlijk en irreëel dit officiële bericht klinkt, beseffen we pas als we de persoon van Walther nog even voor de geest roepen: die innemende echtgenoot en vader, de actieve en begaafde dirigent, de pedagoog, de stuwende kracht bij zovele verenigingen.
Lachend, werkend, beminnend, begrijpend, meevoelend, biddend, lijdend, bemoedigend, aanvaardend. Zo moet het gezegd worden, want zó hebben we hem gekend, zóstaat het geschreven op het gedachtenisprentje:


°Dadizele, 15/12/1933
† Dadizele, 19/12/2002

Onrustig – weg en weer – fiets
Brief in de bus
Affiche uit de printer
Fanfare: hoog in het vaandel.
Samen aan tafel met kinderen en kleinkinderen:
brood bijhalen… terug de keuken in… koffie.
Nog iets tekort?
Jezelf volledig wegcijferen
voor gezin, vrienden, vereniging…
Altijd de eerste, altijd de laatste:
opruimen –stoelen stapelen –…
Met, stil en ingetogen,
diep verborgen in jezelf…
Onze-Lieve-Vrouw van Dadizele.

Een groot man ging van ons heen, actief op zovele gebieden. Hij was ereschoolhoofd van de Vrije Jongensschool, eredirigent van de Koninklijke Fanfare de Ridder Jans Zonen, medeoprichter van de Muziekacademie Dadizele, bestuurslid van de Heemkundige Kring Dadingisila, bestuurslid van het Davidsfonds, bestuurslid van het muziekverbond West-Vlaanderen, bestuurslid van het V.V.V., verantwoordelijke bloedgevers Dadizele, lid van de stuurgroep van Den Ommeganck, lid van KWB en de Volkstuin. Samenvattend, zoals de commentator zei als inleiding van het werk "In memoriam Walther", gecomponeerd door broer Gilbert en gespeeld door zijn Ridder Jans Zonen op het lenteconcert van 15 maart 2003: «19 december 2002, de zwartste dag uit de geschiedenis van de fanfare met het heengaan van Walther. Niet alleen voor Alma en de familie en de fanfare een onherstelbaar verlies, maar ook voor de Daiselse dorpsgemeenschap waarvan hij het socio-culturele boegbeeld was. »

Zijn levensloop was voorbestemd, zijn levensweg reeds uitgestippeld.
Toen hij op 15 december 1933 als eerste telg van vader Urbain en moeder Angèle te Dadizele, in café Ons Huis op de Plaats geboren werd. Later zouden nog tien broers en zussen volgen. Als oudste in een groot gezin leer je vroeg verantwoordelijkheid dragen, je hebt aandacht voor de jongeren, je leert omgaan met druk en hoge verwachtingen, je leert «werken» in het drukbeklante café vlak tegenover de basiliek met de vele bedevaarders tijdens de meimaand en de noveen was hij van bij de vroegmis reeds in de weer– je streeft als oudste naar de perfectie. Verantwoordelijkheidszin, dienstbaarheid, perfectie. Vandaar wellicht de overstap in 1947 naar de normaalschool van Torhout waar Walther in 1952 het diploma behaalde van onderwijzer-koster. Het beroep – of voor Walther beter – de roeping van onderwijzer was hem op het lijf geschreven. Na enkele omzwervingen als interimaris en na vier jaar De Tassche in Ardooie, kan hij in 1958 in Dadizele aan de slag. Met de volle ontplooiing van zijn pedagogische talenten, met als waardering de aanstelling tot schoolhoofd in 1980. Hem wachtte de taak een groeiende schoolgemeenschap te leiden in een steeds sneller evoluerende maatschappij. Ook hier streefde hij ernaar een «dienende» rol te vervullen. Zoals E.H. Monstrey zei in de homilie van de uitvaartmis: «Hier past het evangelie van de voetwassing wonderwel. Wanneer Jezus de voeten van zijn 12 leerlingen heeft gewassen, zei hij «Een knecht is niet meer dan zijn meester». Walther heeft in zijn doen en laten deze zin veelal omgedraaid: «Een meester is niet meer dan de knecht …». Of zoals Walther zo vaak zei: «Mijn liefste leerling is mijn zwakste leerling»… Wat hij voor de schoolgemeenschap echt betekende leren we uit enkele citaten uit de afscheidsrede van oud-collega Jan Naert

«We kunnen je omschrijven als ´streng maar rechtvaardig’. Je zelfdiscipline bracht je op natuurlijke wijze over bij de leerlingen. Je ging er terecht vanuit dat “goed leren” enkel kon in een ordevol georganiseerde leeromgeving, waarin iedereen zijn plaats wist. Wanneer iemand over de schreef ging, volgde een kordate terechtwijzing. Maar ook het bemoedige nde schouderklopje bij een flinke daad ontbrak niet.
Lang voor de moeilijke termen “remediëring en differentiatie” het onderwijs binnendrongen, paste jij die principes al toe in de klas. Onderwijzen gebeurde met “oog voor…” en vooral met het hart. Een hart dat altijd openstond voor diegenen die dit het meest nodig hadden, want je ontdekte in élk kind wel een gave.

Met gemengde gevoelens volgde je meester Remi op als schoolhoofd. Aan de ene kant zou je de klas en meer nog de leerlingen missen. Anderzijds wist je dat je door de nieuwe taak een sterke bijdrage kon leveren aan de verdere uitbouw van een goed werkende school.
Je bestuurde niet van achter een bureau, want je stond liever TUSSEN de collega’s en de leerlingen.
Je wilde voeling houden met hen, weten wat er leefde binnen de school.
Fijne humor liep als een rode draad door je leven en werk. Dit hielp je ongetwijfeld bij het relativeren van de dingen. Altijd stelde je het belang van de school, de leerkrachten, de leerlingen op de eerste plaats.

De jongensschool werd stilaan JOUW school, een soort tweede thuis. Want zelfs na de schooluren, tijdens de weekends en zelfs grote delen van de vakanties was je op school terug te vinden, altijd ergens met iets bezig: een herstelling, het opruimen van een hoekje, het klaarzetten van materiaal, het onderhoud van de noodzakelijkste dingen,…
Er was altijd iets te doen.
Je verrichtte veel dingen die nooit gezien of genoemd werden. Want alles moest in orde zijn . Je vond het maar normaal dat je dit deed in dienst van…

Je pensionering was allerminst een “op rust” gaan. Rust, roest. Je bleef in de weer. Ook de school liet je niet los. Regelmatig kwam je eens langs, en steeds weer stelde je de vraag: “Hoe gaat het? Hoe is het met je klas dit jaar?” Op het tweedaagse schoolfeest trok je je werkplunje aan en tegen de zondagmorgen had je de zaal schoongemaakt, alleen en in alle stilte. Als lid van het schoolbestuur bleef je het reilen en zeilen van de school volgen …tot de dag dat dit, vanwege je pijnlijke ziekte, niet meer kon.

Zijn levensloop was voorbestemd, zijn levensweg uitgestippeld.
Als oudste in een kinderrijk gezin leerde hij wat inzet en dienstbaarheid betekende. Dit trok hij als volwassene door in zijn engagementen tegenover de gemeenschap op het socio-culturele vlak.
In 1933, in zijn geboortejaar, werd in Dadizele een Davidsfondsafdeling opgericht. In 1960 werd hij penningmeester. Intussen was hijzelf van 1954 tot 1958 voorzitter van de DF-afdeling op De Tassche in Ardooie, waar hij toen onderwijzer-koster was.
In Dadizele hielp hij de afdeling uitbouwen tot de grootste culturele vereniging van de gemeente.Toen de afdeling in 1993 het zestigjarig bestaan vierde, werd ook de toen jarige Walther in de hulde betrokken. Toenmalig voorzitter Remi Sioen in zijn feestrede: “Een zeer gemeende dank aan onze penningmeester Walther, tevens programmator, boekenophaler (in Leuven!), boekenverdeler, opsteller van invitaties, klaarzetter en opkuiser van de zaal, enz. Kortom de ziel van de DF-afdeling, de spil waarrond alles reilt en zeilt ”
Voor Walther lag dit culturele engagement evenwel voor de hand: “In een Vlaams en christelijk perspectief moeten we de mensen naar de cultuur ”

In dezelfde lijn ligt zijn inzet bij de werkgroep Help ons Helpen van de Bloedgevers Dadizele. Als verantwoordelijke van de werkgroep verzorgde hij, samen met zijn medewerkers, de praktische kant van de bloedinzamelingen, zoals reserveren en klaarzetten van het parochiaal centrum, de plaatselijke promotie, het verspreiden van de uitnodigingsfolders, het sensibiliseren van de mensen voor deze vorm van edelmoedigheid die mensenlevens redt.
Zelf formuleerde Walther het als volgt: “Bloed geven is een teken van edelmoedigheid in een wereld die alsmaar meer egoïsme …”.

Dadizele promoten als bedevaartsoord en als toeristische trekpleister deed hem besluiten actief lid te worden van de V.V.V. Samen met zijn vrouw Alma ijverde hij in de werkgroep voor een mooier en fraaier Dadizele, voor het organiseren van culturele manifestaties, tentoonstellingen en kerkelijke hoogfeesten zodat Dadizele uiteindelijk het zo begeerde etiket van officieel toeristisch centrum kreeg.

Van het toeristische naar het historische verleden was dan ook maar een kleine stap. In de heemkundige kring Dadingisila kon hij zich van meetaf aan uitleven. Met zijn aangeboren zin voor perfectie had hijzelf thuis al een heus archief uitgebouwd over alles wat maar enigszins met Dadizele en zijn geschiedenis te maken had.
Nu kon hij dat alles samen met Alma op breder vlak uitwerken in de kring: het uitbouwen van een archief in het oud gemeentehuis, bezoeken aan musea, tentoonstellingen, documenten verzamelen, meewerken aan de jaarlijkse themavoorstelling van de kring en artikels schrijven voor het jaarboek “Sprokkels”.
De rijke geschiedenis van Dadizele doorgronden, vastleggen en bewaren voor de komende generaties, daar werkte hij enthousiast aan mee. Eén constante bij zijn werk voor de heemkundige kring; in de goed dertig artikels die hij publiceerde in de Heemkundige Sprokkels gaat het niet over de grote geschiedenis van hertogen, over ingewikkelde grafelijke stambomen en dito veldslagen, het gaat wel over de geschiedenis van de kleine man, de gewone mens in zijn gewone doen, in zijn dagelijkse leefwereld van familie en vereniging, de mensen bij wie hij zich het best thuis voelde.


Zijn levensloop was voorbestemd, zijn levensweg uitgestippeld. Als telg van de muzikale familie Bekaert lag het voor de hand dat hij ook die weg zou opgaan.



Toen hij in 1944 als 11-jarige voor het eerst mee opstapte met de fanfare De Ridder Jans Zonen bij gelegenheid van een uitvaartdienst, kon hij niet vermoeden welke enorme rol muziek in zijn leven zou spelen, dat “muziek“ en “het muziek“– de K.F. de Ridder Jans Zonen – naast zijn familiaal leven, zijn tweede leven zou worden, met zijn familiale leven verweven zou worden. Als negenjarige trok hij met broer Yves per fiets naar de muziekschool in Wevelgem, waar Julien Herman, de toenmalige dirigent van de fanfare, les gaf. Hij volgde notenleer en piccolo, in Ledegem kreeg hij pianoles van meester Daels en in de Torhoutse normaalschool volgde hij ook de opleiding voor koster-organist. Tijdens een interim in Harelbeke volgde hij nog een cursus slagwerk. Die gevarieerde en ruime muzikale opleiding, en veel zelfstudie, leidde uiteindelijk tot het dirigeerstokje.Uiteindelijk zou hij 33 jaar dirigent blijven. Hij leidde de fanfare naar ongekende hoogtepunten, naar successen in binnen- en buitenland. Hij slaagde erin om het hoge muzikale peil te behouden, en dat alles – en daar was hij zeer fier op – met “eigen muzikanten”. Daartoe was een degelijke opleiding nodig en ook hier kunnen we niet om Walther heen. Van 1952 tot 1967 gaf hij gratis muziekonderricht aan de Daiselse schooljeugd. Na die solfègelessen moesten de leerlingen evenwel naar de muziekscholen van Wevelgem of Roeselare. Onder impuls van Walther werd in 1967 een afdeling van de Muziekacademie van Roeselare opgericht, zodat de plaatselijke jongeren in Dadizele zelf muziekonderricht konden krijgen. Tot 1989 bleef Walther toezichter. Zo kon hij de jonge muikanten volgen, raad geven, moed inspreken om vol te houden. In 1971 richtte hij het jeugdorkest “Die Brugh” op – later overgenomen door zijn broer Guido en nog later door dochter An – om de jongeren voor te bereiden op de overstap naar de grote
Walther wist dat een goeie jeugdwerking de basis was voor een succesvolle werking en later haar vruchten zou afwerpen. Hij gaf jongeren de raad om een blaasinstrument te leren dat paste in zijn korps. Hij stimuleerde de jongeren om deel te nemen aan provinciale en nationale solistentornooien. Velen van hen behaalden prachtige resultaten. “Zijn prestaties kwamen ten goede aan het korps”, schrijft Jozef Coghe in zijn in memoriam in VLAMO, muziekverbond West-Vlaanderen waar Walther 20 jaar bestuurslid van was.
Het systeem werkte, de fanfare groeide en bloeide en bij successen, bekroningen en triomfen bleef Walther zichzelf: eenvoudig, nuchter, relativerend, verder kijkend.

Zijn levensloop was voorbestemd, zijn levensweg uitgestippeld.
Toen hij in 1996 na een onverwachte, zware operatie het dirigeerstokje doorgaf aan Nick Vandendriessche, kon niemand vermoeden dat dan misschien reeds het kwaad zich uitgezaaid had, want Walther bleef trouw aanwezig op repetities en uitstappen, hield nauwkeurig de archieven bij, hij was eerste en laatste bij de activiteiten van de fanfare en bij de viering van het 75-jarig bestaan van de fanfare werkte hij volop mee aan het geslaagde jubeljaar. En toen, voor het eerst moest hij afhaken, bij de Kasteelnocturne in juni 2001. Die vreselijke pijn, die verdomde rug. Wat later sloeg het verschrikkelijke, fatale nieuws in als een bom. “Onomkeerbaar, fataal.”
Nog bleef Walther bij de fanfare, nog aanwezig bij het lenteconcert en het Ceciliafeest 2002. Maar wat iedereen voor zich uitduwde, werd toch werkelijkheid. 19 december 2002, eredirigent Walther was niet meer. Zijn levenswerk, de fanfare, bleef verweesd achter. De afscheidswoorden tijdens de afscheidsplechtigheid geven het best weer, wat Walther voor de fanfare betekende.

Meester, dirigent, chef, Walther

Het zijn allemaal aanspreektitels die wij als muzikanten gebruiken tijdens de 33 jaar dat je onze fanfare leidde. En in die aanspreektitels uitten we bewondering, eerbied, waardering, voor je vele capaciteiten, niet alleen als dirigent maar vooral ook als mens.
MEESTER noemden we je. Uit dankbaarheid. Niet alleen om wat de meeste van ons bij jou op de schoolbanken hebben meegekregen, maar ook bij de eerste stappen die we zetten in de muziek was je onze meester. Je had de juiste pedagogische benadering om jonge mensen warm te maken voor de muziek, om hen via de muziek waarden en sociale vaardigheden bij te brengen die hun verdere leven zouden bepalen. Je was een meester, een magister in de ware zin van het woord.

DIRIGENT noemden we je, officieel. Met eerbied en ontzag voor je bekwaamheid en standvastigheid. 33 jaar dirigent, in alle omstandigheden, ook als het jou of de fanfare minder voor de wind ging, bleef je doorzetten, standvastig. En bekwaam, want een fanfare-orkest naar de hoogste afdelingen leiden en op dat niveau behouden is een referentie op zich. Zonder daarbij persoonlijk succes na te streven. Nooit ging het om je eigen persoon, altijd primeerde de fanfare.
CHEF noemden we je. Met bewondering voor je muzikale en menselijke kwaliteiten. Je muzikanten heb je nooit geïdentificeerd met een instrument of een partituur. Het waren voor jou mensen met vreugden en zorgen en die vreugden en vooral de zorgen deelde je met hen. Bij ziekte, sterfgeval, conflict, misverstand, tegenslag of moedeloosheid sprak je bemiddelende, bemoedigende, troostende, zalvende woorden.

WALTHER zeiden we. Als vriend, als collega, als medebestuurslid die door zijn veelzijdige belangstelling voor ons als een rode draad was door het sociale, culturele, religieuze en muzikale leven. We zullen je heel erg missen. Waar moeten we nu heen als we geen uitweg meer zien. Vroeger klonk het toch altijd:“We gaan het Walther eens vragen.”
Na je afscheid als dirigent bleef je trouw aanwezig op repetities, concerten en uitstappen. Je hield nauwkeurig het archief bij, je was nog steeds de eerste en de laatste bij de activiteiten. En zelfs tijdens de fatale maanden, toen je aan je rolstoel gekluisterd was, bleef je aandacht bemoedigend uitgaan naar de fanfare en had je nog een actieve inbreng.
Met ons Ceciliafeest, een maand geleden, brachten we je nog een serenade. Maar toen je, in je rolstoel, in uniform, je muzikanten één voor één, rij per rij indringend aankeek, toen wisten we dat je afscheid nam van je fanfare.
En wat we vreesden en onbewust misschien voor ons uit trachten te schuiven werd uiteindelijk toch harde realiteit. Je had na een maandenlang moedig gevecht tegen de ongenadige woeker de ongelijke strijd verloren.
Je aardse leven is af. Je symfonie is voltooid. Je levenswerk is een opus magnum gebleven, een meesterwerk.
We geven je nu uit handen, aan de grote dirigent, zoals je God vaak noemde.
Ons blijven, door de tranen van ons verdriet heen, alleen woorden van grenzeloze dankbaarheid die er ons moet toe aanzetten je levenswerk in jouw geest verder te zetten en uit te bouwen.


De uitvaartplechtigheid op 27 december werd een waar huldebetoon. Op waardige wijze nam de fanfare afscheid van Walther door hem te begeleiden van het sterfhuis naar de basiliek, door het opluisteren van de begrafenisdienst en door hem te begeleiden naar zijn laatste rustplaats.
Een zeer verdienstelijk man is heengegaan. Dadizele blijft verweesd achter.

Heer,

Ik weet niet waar u bent.
Waar u zich ophoudt in het al.
Maar toen alles heel erg moeilijk werd,
Wist ik het ineens wel:
U stond naast me.
Ik kon met U praten.
Dat heb ik toen gedaan.
Het luchtte me op.
Dank U, Heer.
Ik weet nu dat ik bij U terecht kan.

(Toon Hermans)

Mark Reynaert

Roger Defieuw, Mark Reynaert